Wat is dyslexie?
door Sonja Karman

Twee kernproblemen Sterke punten Definitie SDN 2008


Dyslexie is een specifiek leerprobleem, dat vooral betrekking heeft op het lezen en spellen (zie ook de officiële definitie van de Stichting Dyslexie Nederland).
Mensen met dyslexie leren op een andere manier dan mensen zonder dyslexie. Dit kan in het onderwijs, maar ook op het werk en in andere situaties, voor problemen zorgen. Met name het onderwijs is niet ingesteld op de manier waarop dyslectische leerlingen informatie verwerken.


• • •   Twee kernproblemen spelen een rol bij dyslexie

1. Een automatiseringsprobleem.

Mensen met dyslexie hebben grote moeite met het automatiseren van vaardigheden. Mensen die geen dyslexie hebben kunnen vrij gemakkelijk een handeling (bijv. technisch lezen) op de 'automatische piloot' zetten, zodat ze al hun aandacht aan een andere vaardigheid kunnen geven, bijvoorbeeld het begrijpen waar de tekst over gaat. Op die manier kunnen ze twee of meer dingen tegelijk doen, zoals lezen en begrijpen, autorijden en praten, luisteren en schrijven (bijv. bij het maken van aantekeningen).
Iemand met dyslexie kan dit niet zo gemakkelijk. Het lezen gaat niet automatisch, evenmin als het schrijven. Ook andere vaardigheden, die niets met taal te maken hebben, raken soms niet goed geautomatiseerd. Voorbeelden van vaardigheden die een hoge mate van automatisering vereisen:

  • klank-teken koppeling (letters herkennen en letters schrijven)
  • directe woordherkenning (technisch lezen)
  • het onthouden van woordbeelden (spelling)
  • het leren van splitsingen en tafels (rekenen)
  • complexe motorische vaardigheden, zoals zwemmen, fietsen en autorijden

2. Een probleem met het auditief verwerken van spraakklanken (fonologische verwerking).

De auditieve verwerking van klanken levert problemen op. Dat wil zeggen dat de verwerking van spraakklanken in de hersenen niet optimaal verloopt. Hierdoor kunnen mensen met dyslexie vaak moeilijk verschillen horen tussen klanken in woorden (bijv. heus/huis, schuur/scheur, hoor/hor, veel/vil). Dit wordt auditieve discriminatie genoemd.
Ook zijn er vaak problemen met het uiteenrafelen van een woord tot klanken of klankgroepen bij het spellen (herfst = h-e-r-f-s-t, fietsenmaker = fiet-sen-ma-ker) en het samenvoegen van klanken of klankgroepen tot een woord bij het lezen (h-e-r-f-s-t = herfst, fiet-sen-ma-ker = fietsenmaker). Dit wordt auditieve analyse en auditieve synthese genoemd.
Tenslotte is het letterlijk en in de juiste volgorde onthouden van klanken, woorden of zinnen vaak een probleem (auditief geheugen).

De combinatie van deze twee problemen maakt dat veel taken voor iemand met dyslexie moeilijk uit te voeren zijn. In de praktijk moeten immers vaak auditieve en andere vaardigheden tegelijk worden toegepast. Voorbeelden van dergelijke situaties zijn:

  • Het schrijven van een dictee: de leerling moet de dicteezin onthouden terwijl hij de woorden uiteenrafelt in klanken en klankgroepen. Hij moet nadenken over spellingregels en moeilijke woorden en ook nog op zijn handschrift letten. Intussen is de leerkracht alweer bezig met het voorlezen van de tweede zin... Voor een dyslectische leerling is het onmogelijk om snel, netjes én foutloos te schrijven.
  • Het maken van aantekeningen of notulen: de notulist maakt een samenvatting van wat de spreker zegt, die hij leesbaar moet opschrijven terwijl de spreker alweer verder praat.
  • Hardop voorlezen: de lezer moet de woorden van de tekst 'ontcijferen' (technisch lezen), tegelijkertijd op zijn uitspraak en intonatie letten en ook nog begrijpen waar het over gaat. En dat alles in een behoorlijk tempo.
  • Het lezen van ondertitels bij een film: de lezer moet in snel tempo (dus geautomatiseerd) lezen en tegelijkertijd de beelden van de film volgen.

Voorbeelden van andere problemen die bij dyslexie kunnen voorkomen:

  • Een gebrekkig tijdsbesef: weinig gevoel hebben voor de hoeveelheid tijd die verstrijkt en daardoor bijvoorbeeld vaak te laat komen. Leren klokkijken is vaak ook moeilijk omdat de kloktijden deze kinderen weinig zeggen.
  • Woordvindingsmoeilijkheden: vaak niet op een woord of een naam kunnen komen. Het woord of de naam is wel bekend, maar kan op dat moment niet gezegd worden ("het ligt op het puntje van mijn tong").
  • Problemen met het mondeling formuleren. Vaak heeft dit te maken met woordvindingsproblemen. Als de spreker niet op de juiste woorden kan komen, gaat hij andere woorden gebruiken en kan hij in de knoop komen met wat hij wilde zeggen.
  • Bij het spreken woorden verkeerd uitspreken of verhaspelen. Dit heeft te maken met de fonologische problemen (problemen met de auditieve verwerking van spraakklanken).
  • Bij het spreken slordig of onduidelijk articuleren. Dit heeft eveneens te maken met de fonologische problemen (problemen met de auditieve verwerking van spraakklanken).
  • Problemen met het onthouden van 'betekenisloze' informatie, dat wil zeggen: informatie waarbij in het hoofd geen beeld kan worden gevormd. Voorbeelden: telefoonnummers, pincodes, jaartallen, plaatsnamen, woorden in een vreemde taal ('woordjes leren').
  • Het leren van vreemde talen. In een nieuw te leren taal kunnen dezelfde problemen optreden als in de eerste taal. Op school zijn vaak vooral het 'woordjes leren' en soms het leren van de grammatica een probleem.
  • Motivatieproblemen, faalangst en/of vermijdingsgedrag. Deze zijn meestal geen oorzaak, maar juist een gevolg van de leerproblemen.

• • •   Sterke punten

Gelukkig zijn er ook vaardigheden waar dyslectische mensen meestal juist erg goed in zijn, zelfs beter dan de meeste mensen zonder dyslexie. Het gaat dan om visuele, visueel-analytische en ruimtelijke vaardigheden.

visuele vaardigheden:
Tegenover een zwakke auditieve verwerking (zie boven) staat een sterke visuele verwerking. Mensen met dyslexie zijn over het algemeen goed in het waarnemen van de dingen in hun omgeving, het zien van grote gehelen maar ook van details die anderen niet altijd opvallen. De meeste dyslectici denken ook op een sterk visuele (en minder talige) manier.

visueel-analytische vaardigheden:
Dyslectici zien vaak snel hoe iets (bijvoorbeeld een gebouw of een wiskundig probleem) is opgebouwd, hoe het in elkaar zit. Ze kunnen het grote geheel gemakkelijk opsplitsen in de delen waaruit het is opgebouwd.

ruimtelijke vaardigheden:
Dyslectische mensen zijn over het algemeen sterk in driedimensionaal denken. Ze kunnen een voorwerp dat ze maar van één kant zien, als het ware in hun hoofd van alle kanten bekijken. Ze weten dan toch hoe dat voorwerp er van andere kanten uit zal zien.
Dit is ook de oorzaak van het hardnekkig omkeren van letters, zoals de b en de d. De dyslectische leerling draait de letters in zijn hoofd alle kanten op, alsof het driedimensionale voorwerpen zijn. Aangezien dit proces grotendeels onbewust verloopt, kan de leerling hier slechts beperkt invloed op uitoefenen.


Gebruik maken van je sterke punten

Als een dyslectisch persoon de kans krijgt om zijn sterke punten ten volle te benutten, kan hij of zij soms heel wat bereiken in de maatschappij. Er zijn veel voorbeelden van beroemde dyslectische uitvinders, filmmakers, acteurs, ontwerpers, schilders, beeldhouwers en zelfs schrijvers, die het ver hebben gebracht juist door gebruik te maken van deze sterke punten.
Voorbeelden:

  • Uitvinders/wetenschappers: Einstein, Edison, Darwin
  • Filmmakers: Walt Disney, Steven Spielberg
  • Acteurs: Whoopi Goldberg, Keanu Reeves, Bill Cosby
  • Ontwerper: Jan des Bouvrie
  • Schilders/beeldhouwers: Matisse, Rodin
  • Schrijvers: Hans Christiaan Andersen, Agatha Christie, Jacques Vriens

Ook zijn er bijvoorbeeld veel dyslectische architecten, computerprogrammeurs, cameramensen en mensen in allerlei technische beroepen, zoals Wubbo Ockels (Nederlandse astronaut).

Natuurlijk kan niemand helemaal zonder lezen en schrijven. Ook dyslectische mensen moeten dit leren, al zijn ze nog zo goed in andere dingen. Bij Stichting Taalhulp worden de sterke punten van dyslectici zoveel mogelijk ingezet bij het goed leren lezen en spellen. Dit betekent onder andere: geen woordbeelden inprenten en geen flitswoordjes, maar inzicht verwerven in de klank- en regelstructuur van woorden. Hierbij wordt gestructureerd gebruik gemaakt van kleuren en allerlei andere vormen van visuele ondersteuning. Zie hiervoor ook bij de F&L-methode.


• • •   De definitie van dyslexie volgens de SDN (2008)

De Stichting Dyslexie Nederland (SDN) heeft, o.a. op grond van het werk van een commissie van de Gezondheidsraad, een definitie opgesteld waar nu in wetenschappelijke kring brede consensus over heerst. Deze definitie wordt nu door de meeste pedagogogen en psychologen gebruikt voor het stellen van de onderkennende diagnose dyslexie.
De definitie van de SDN luidt:

"Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau."

De onderkennende diagnose gebeurt op grond van objectief waarneembare kenmerken.
De SDN noemt twee criteria. Daaraan moet voldaan zijn om te kunnen spreken van dyslexie.

  1. het vaardigheidsniveau van lezen op woordniveau en/of spelling ligt significant onder hetgeen van het individu, gegeven diens leeftijd en omstandigheden, gevraagd wordt (criterium van de achterstand)
  2. het probleem in het aanleren en toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau blijft bestaan, ook wanneer voorzien wordt in adequate remediërende instructie en oefening (criterium van de didactische resistentie)

Onder omstandigheden wordt de situatie verstaan waarin de persoon zijn lees- en spellingvaardigheid functioneel moet toepassen, i.c. de leeromgeving in het onderwijs, de werkplek dan wel een andere situatie. De situatie waarin de betrokkene op basis van zijn aanleg en talent is terechtgekomen, vereist een beheersing van lezen op woordniveau en spellen waaraan hij/zij, qua accuratesse en/of vlotheid, duidelijk niet voldoet.
Onder adequate remediërende instructie wordt verstaan hetgeen het onderwijs kan bewerkstelligen aan op het individu toegesneden maatregelen op het gebied van instructie en begeleide oefening. Afgezien van een taakgerichte aanpak is zorgvuldige protocollering een belangrijke voorwaarde.

Uit: Diagnose van Dyslexie (brochure van de Stichting Dyslexie Nederland, herziene versie 2008). Te bestellen bij de Stichting Dyslexie Nederland, Postbus 93, 3720 AB Bilthoven.


Volwassenen.

Bij volwassenen kunnen deze criteria meestal niet objectief worden vastgesteld, bij gebrek aan genormeerde testmiddelen. De ernst en de hardnekkigheid van de achterstand moeten dan worden geschat aan de hand van een analyse van lees- en schrijftaken.


Combinatie met andere problemen.

Zoals blijkt uit de criteria voor dyslexie, is het voor de onderkennende diagnose dyslexie in principe niet belangrijk of iemand ook nog andere problemen heeft. Dyslexie kan bijvoorbeeld samengaan met:

  • Dyscalculie
  • Motorische problemen
  • ADHD
  • Slechtziendheid of blindheid
  • Slechthorendheid of doofheid
  • Problemen met de mondelinge taal
  • Een hoge of juist lage intelligentie. Het IQ moet wél minimaal 70 zijn om dyslexie te kunnen vaststellen, omdat anders de kenmerken van dyslexie teveel vertroebeld worden door de lage intelligentie. Als er geen aanleiding is om een IQ lager dan 70 te veronderstellen, is een intelligentietest niet nodig om dyslexie te kunnen vaststellen.

Wél is het bij een combinatie van problemen soms lastig om vast te stellen waar het zwaartepunt ligt. Bij een kind met ADHD bijvoorbeeld, kunnen de kenmerken van ADHD die van dyslexie overheersen. Het leren wordt dan meer belemmerd door het aandachtsprobleem dan door het automatiseringsprobleem. Dit heeft ook gevolgen voor de behandeling.


© Thalita Boumans, Sonja Karman, 2008